Licht op locatie

De deur van de studio staat open. We gaan steeds vaker met geavanceerd flitslicht naar buiten. Maar op locatie flitsen gaat net even anders dan in de studio. Binnen de studio begin je eigenlijk op punt nul. Met zowel de deuren als gordijnen dicht begin je in het donker, om vervolgens je eigen licht volledig naar smaak en inzicht te creëren. Op locatie kun je de studio in een donkere ruimte en een achtergrondrol nabootsen, maar die opzet is hier niet het uitgangspunt. We gaan uit van fotografie waarin de zichtbaarheid en sfeer van de locatie van belang is. Dan vul je meestal bestaand licht aan. Dat vraagt om een totaal andere werkwijze dan we in de studio kennen. De analyse van het aanwezige licht speelt een grote rol. Daar haak je vervolgens met je flitslicht op in. Licht maken is geen solo actie meer, maar wordt een een-tweetje. 

Kwaliteit en kwantiteit 

Op locatie kom je een waaier aan lichtsoorten tegen. Binnen zijn dat allerlei vormen van kunstlicht in alle mogelijke posities, overdag aangevuld met buitenlicht door ramen. Het kunstlicht kan allerlei kleuren hebben waar de sensor in de camera ons meer mee confronteert dan onze ogen doen. Buiten is het licht karakter niet alleen weersafhankelijk, maar ook van het moment op de dag. Tijdens een halfbewolkte dag kan het licht binnen een paar seconden van hard naar zacht omslaan en een paar stops dimmen. De hoeveelheid licht waarmee je geconfronteerd wordt kan enorm variëren. Flitsers routineus in een vaste instelling laten staan werkt niet, het is iedere keer zoeken naar een instelling waarin het flitslicht met het daglicht in balans is. Grofweg zijn hier twee keuzes. Je kunt het flitslicht hoofdlicht of bijlicht maken.

Flits als hoofdlicht 

Maak je het flitslicht hoofdlicht dan wordt de achtergrond donker en is je flitslicht dominant. Je stelt je flitsers een, twee stops en soms zelfs meer boven het aanwezig lichtniveau in. Foto’s krijgen een uitgelichte look met alle bijbehorende dramatiek, een stijl die in de ‘Strobist’ cultuur een grote vlucht heeft genomen. De manier waarop je het  onderwerp uitlicht kan als in de studio met uitgewogen belichtingshoeken voor het goede licht en schaduw spel en de keuze tussen allerlei variaties aan hard en zacht licht. Er is een verschil, schaduwen uitlichten is niet nodig als dat al door het aanwezig licht wordt gedaan. In de achtergrond is vaak juist het aanwezige licht dominant en geeft daar sfeer en diepte.

In de praktijk blijkt het handig eerst het aanwezige licht af te regelen. Je stelt de camera zo in dat in de achtergrond sfeer en kleuren kloppen. Vervolgens regel je het flitslicht op het onderwerp. Gebruik je de hedendaagse draadloze TTL (through the lens) flitssystemen van de spiegelreflexmerken dan vullen in theorie de flitsers het licht aan tot het correcte niveau. In de praktijk zitten ze er wel eens naast en moet je een flitsbelichtingscorrectie uitvoeren.

flits hoofdlicht

Flits als bijlicht

Kies je er voor de flitser als bijlicht te gebruiken dan doe je eigenlijk niets anders dan schaduwen oplichten. Het bestaand licht wordt sfeerbepalend en foto’s zien er vaak uit alsof er helemaal niet geflitst is. Flitslicht lijkt hier op make-up. Als je het ziet is er meestal teveel gebruikt. Het flitslichtniveau ligt een tot twee stops onder het bestaand licht. Omdat de doseringen relatief laag zijn heb je weinig vermogen nodig. Gebruik je de flitssystemen van de spiegelreflexmerken dan kun je de dosering vaak aan de automatiek overlaten. Als er ruim aanwezig licht is weet het systeem dat het flitsen bedoelt is om donkere partijen op te helderen. Vaak ligt de grens bij 1/60 s. Zit je bij de ingestelde iso en diafragmawaarde daaronder dan schakelt de invulflitstechnologie uit. Probleem met flits als bijlicht kan zijn dat de donkere partijen vlak ogen. Dat los je meestal op met de positie van de flitser, soms met een lagere dosering.

flits bijlicht

Veel licht

Bij fel zonlicht kun je met flitsers in de problemen komen. Terwijl je flits vaak kort genoeg is om binnen de snelste sluitertijden te passen dien je rekening te houden met de flitssynchronisatietijd. Zelfs als dat een snelle 1/320s is kom je zo op f16 of 22. Diafragma’s die je flitslicht flink verzwakken en bovendien diffractie veroorzaken wat de scherpte verlaagt. Met sommige camera flitsercombinaties kun je snellere tijden instellen waardoor je diafragma minder dicht hoeft. Namen als HSS (High Speed Sync) of FP (Focal Plane) duiden technologie aan waarmee het flitslicht zo wordt gemanipuleerd dat je toch met de snelste sluitertijden kunt flitsen. Daarvoor gaan flitsers in druppelmodus, met als straf minder flitskracht. Linksom of rechtsom loop je dus tegen een tekort aan flitslicht aan. Wil je het aanwezig licht dimmen dan is het probleem het grootst. Flits je veel buiten met de flitser als hoofdlicht, dan ben je met een camera met centraalsluiter beter uit. Dan kun je bij alle sluitertijden normaal flitsen zij het met een kleinere sluitertijdenreeks. Hetzelfde geld voor camera’s waarbij je met de sensor zelf het licht kan doseren. In beide is de keuze beperkt.

Weinig licht

Maar ’s nachts buiten of in een donker interieur loop je tegen problemen aan. Wil je wat van het aanwezige licht zien  dan loop je tegen de normale problemen in het donker aan. Daarvoor hebben we de normale oplossingen:  Lange sluitertijden, open diafragma en hoge ISO waarden. Daardoor komt helaas een nieuw probleem bovendrijven. Je kunt een flitser niet ongelimiteerd afknijpen. We merken dit nu de sensoren zo goed zijn dat we hoge ISO waarden durven te gebruiken. Een flits op f 2 bij 1600 iso geeft op 1 meter afstand een uitgebleekte vlek. De puls kan niet snel genoeg worden afgekapt. En met de flits als bijlicht moet je nog een á twee stop extra in kracht naar beneden. Er zijn oplossingen. Denk aan het gebruik van diffusiekapjes, filters, paraplu’s of softboxen en indirect flitsen. Maar je moet weten dat het probleem speelt.

Veranderend licht

Op een half bewolkte dag kan in een paar seconden het bestaand licht wisselt zowel in hoeveelheid als karakter veranderen. Hetzelfde geld aan de randen van de dag. En van binnenlocatie naar binnenlocatie. Studiolicht is er niet voor gemaakt om snel op dit soort veranderingen in te spelen. Je verliest je tijd aan meten, instellen en testflitsen. De TTL (Through the lens) meetsystemen van de camermerken zijn met al hun automatiek dan juist in hun element. Voor iedere opname balanceert de cameracomputer de dosis flitslicht met het bestaand licht op dat moment. Je lijkt als fotograaf controle in te leveren, maar dat is schijn. Je maakt een proefopname en stelt vervolgens naar eigen smaak bij. Flits je in een situatie waarin het TTL systeem wijfelt, dan maak je met de flitsvergrendeling het licht constant. We hebben er lang op moeten wachten, maar er is nu eindelijk een studioflitsfabrikant die het licht ziet. Profoto heeft met de B1 een studioflitser die het TTL systeem van Canon begrijpt, en binnenkort ook Nikon.

profoto b1 profoto b1 500 air

Lichtkleuren

Flitslicht is ongeveer even wit als bewolkt licht, maar zonlicht is geler, schaduwlicht een tik blauwer, gloeilamp licht stevig oranjegeel, de mate waarin afhankelijk van het wattage, en spaarlampen en TL-buizen voegen er nog een tikkeltje groen aan toe. Bij gemengd licht heb je niet met een, maar meer lichtkleuren te maken. Vaak zijn die kleurzwemen niet zo’n probleem. We zijn er aan gewend, ze maken een foto sfeervoller en dramatischer, en geven extra separatie van onderwerp en achtergrond. Maar als het licht naturel moet ogen wordt het lastig. In de situaties waarin je bijlicht met flits kun je dat oplossen met filters. Met oranjebruin- of groenfliters kun je met je flitser een gloei- of spaarlamp nabootsen. Je stemt je flitser daarmee zo af dat de schaduwen de kleur krijgt die je verwacht. Wil je de kleurzweem kwijt dan doe je dat vervolgens met je witbalans. Bij sommige compactflitsers worden deze filters meegeleverd. De Nikon SB910 herkent het filtertype zelfs waarna de camera de witbalans aan die van het filter aanpast.

nikon-speedlight-sb-910-orange-filter

Praktische ongemakken

De meters die je in de studio maakt worden op locatie hecto- of kilometers. Sjouwwerk dat vraagt om kleine lichte flitsers en kleine opzetstukken. Houdt je alles klein, dan kun je bovendien met kleinere en lichtere statieven toe. Dat kunnen de compactflitsers van de cameramerken zijn, met als extra voordeel onafhankelijkheid van stopcontacten, automatiek en bruikbaarheid bij korte sluitertijden. Nadelen zijn een beperkt vermogen, relatie lange oplaadtijden en een nauwelijks bruikbaar instellicht. Bovendien moet je improviseren  als je het licht wilt aanpassen, want er is geen bajonet of paraplubevestiging. Als je meerdere opsteekflitsers combineert ben je nog steeds kleiner en lichter uit als met een studioflits blijven alleen de laatste twee problemen over. Paar je flitsers, dan heb je voor een stop extra licht twee flitsers nodig, voor twee stops al vier. Vandaag de dag biedt vrijwel ieder studiomerk accugestuurde flitsers aan, daarbij ook de hierbovengenoemde profoto b1.

Sommigen zijn aangenaam klein en licht. Sinds led instellichten mogelijk zijn, zijn opnieuw nieuwe grenzen geslecht omdat daardoor minder vermogen en koeling nodig is. Kijk bijvoorbeeld naar de Elinchrom Ranger Quadra. Wie een hekel heeft aan het gedoe met generatoren en kabels zijn er bijvoorbeeld de Priolites, monoblocs met ingebouwde accu. Wie denkt zijn studioflitsers buiten te kunnen gebruiken moet er op bedacht zijn dat hij soms beter een paraplu boven dan voor zijn flitsers kan hebben. Bij regen zijn ventilatiesleuven bovenop uit de boze.rangerquadra-300x193 Compactflitsers van de cameramerken zijn soms spatwaterdicht en anders eenvoudig te beschermen met een doorzichtige plastic zak. Wind is een ander verhaal, zeker bij het gebruik van een softbox of paraplu gaat ieder statief om. Het is zaak de onderkant van een lichtstatief vast te binden, vast te tapen, vast te laten houden  of te verzwaren met bijvoorbeeld een fotokoffer. Over accessoires gesproken, kleine lichtverzachters zijn vooral voor compactflitsers te kust en te keur te koop. Maar ze werken alleen bij fotografie met de flitsers dicht op een klein onderwerp. Voor grotere onderwerpen, denk aan portretten, zit je voor zacht licht toch echt aan paraplu’s en softboxen vast. Waarbij paraplu’s compacter, lichter en sneller in te zetten zijn.

 

28

 Pieter van Leeuwen

Bewaren